Automatisering
Boekhouding
BV oprichten
Bedrijfsopvolgingsregeling BOR: Nieuwe regels en wat de vrijstelling nog steeds dekt
De BOR-bedrijfsopvolgingsregeling is per 1 januari 2026 gewijzigd. Bekijk wat er precies is aangescherpt, wat niet, en wat nog steeds in aanmerking komt.
•
16 mins

Intro
Een familiebedrijf met € 5 miljoen aan ondernemingsvermogen gaat over van een DGA naar diens opvolger. Zonder fiscale faciliteiten kan over die overdracht schenk- of erfbelasting verschuldigd zijn. Het tarief hangt af van de relatie tussen de overdrager en de opvolger en van de waarde van de verkrijging. Voor partners en kinderen gelden na de vrijstelling tarieven van 10% en 20%, terwijl voor andere verkrijgers tarieven van 30% en 40% kunnen gelden.
Weinig opvolgers kunnen zo'n belastingrekening uit privéspaargeld betalen. Dan moet het bedrijf geld lenen, vermogen uitkeren of in het uiterste geval worden verkocht, alleen om de belasting over de eigen opvolging te financieren. De bedrijfsopvolgingsregeling, kortweg BOR, is bedoeld om dat bij een reële bedrijfsoverdracht te voorkomen.
De BOR blijft een van de ruimste faciliteiten binnen het Nederlandse belastingrecht. Tegelijk zijn de regels op enkele specifieke punten strenger en preciezer geworden. Een DGA met een overzichtelijke werkmaatschappij, gewone aandelen en weinig beleggingsvermogen merkt van veel wijzigingen beperkt iets. Bij preferente aandelen, een holding met gemengd vermogen of ondernemerschap dat pas ruim na de AOW-leeftijd is gestart, is een grondige controle wel nodig.
In dit artikel lees je wat de BOR en de doorschuifregeling aanmerkelijk belang precies doen, welke wijzigingen vanaf 1 januari 2026 gelden, welke aangekondigde beperking niet automatisch op die datum is ingegaan en hoe je een holdingstructuur tijdig voorbereidt op bedrijfsopvolging.
De belastingrekening die een bedrijfsopvolging kan blokkeren
De BOR geeft in 2026 een volledige vrijstelling voor de eerste € 1.543.500 aan kwalificerend ondernemingsvermogen. Over het ondernemingsvermogen boven die grens geldt een vrijstelling van 75%. Alleen vermogen dat fiscaal als ondernemingsvermogen kwalificeert telt mee. Beleggingsvermogen valt buiten de faciliteit.
Pas dit toe op het familiebedrijf met een ondernemingsvermogen van € 5 miljoen. De eerste € 1.543.500 is volledig vrijgesteld. Van de resterende € 3.456.500 is 75%, oftewel € 2.592.375, vrijgesteld. In totaal valt dan € 4.135.875 onder de BOR en resteert een bedrag van € 864.125 waarop de gewone regels voor de schenk- of erfbelasting worden toegepast.
Dat is een grote verlaging, maar geen garantie dat de opvolger niets betaalt. Het werkelijke bedrag hangt onder meer af van de relatie tussen partijen, persoonlijke vrijstellingen, eventuele tegenprestaties, de ondernemingswaarde en de vraag welk deel daadwerkelijk ondernemingsvermogen is. Voor het niet-vrijgestelde ondernemingsvermogen kan onder voorwaarden uitstel van betaling beschikbaar zijn.
Waarom de BOR en de DSR verschillende belastingen oplossen
In een echte bedrijfsopvolging staat de BOR zelden op zichzelf. Daarnaast bestaat de doorschuifregeling aanmerkelijk belang, meestal afgekort tot DSR ab. Deze regeling ziet niet op schenk- of erfbelasting, maar op de inkomstenbelasting in box 2 over de opgebouwde meerwaarde van de aandelen.
Een overdracht van een aanmerkelijk belang leidt normaal gesproken tot een vervreemdingsvoordeel: het verschil tussen de overdrachtswaarde en de fiscale verkrijgingsprijs. Zonder doorschuifregeling kan daar direct box 2-heffing over ontstaan. In 2026 bedraagt het tarief 24,5% tot en met € 68.843 en 31% over het meerdere.
Bij toepassing van de DSR ab wordt de heffing niet kwijtgescholden. De fiscale verkrijgingsprijs van de oude aandeelhouder gaat in beginsel over op de opvolger. Daardoor wordt de claim doorgeschoven tot een later belastbaar moment, bijvoorbeeld wanneer de opvolger de aandelen verkoopt. De regeling geldt alleen als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en voor zover de waarde aan ondernemingsvermogen is toe te rekenen.
Het verschil is dus helder:
De BOR geeft onder voorwaarden een vrijstelling van schenk- of erfbelasting over kwalificerend ondernemingsvermogen.
De DSR ab stelt box 2-heffing over de aandelenwinst uit. De belastingclaim blijft bestaan.
Beleggingsvermogen valt niet vanzelf onder een van beide faciliteiten.
Omdat de regelingen verschillende belastingen behandelen, worden ze bij een kwalificerende aandelenoverdracht vaak naast elkaar onderzocht. Alleen de BOR toepassen kan een directe box 2-claim laten staan. Alleen de DSR toepassen voorkomt de schenk- of erfbelasting niet. De box 2-tarieven spelen daarnaast ook bij dividenduitkeringen een rol. Daarom is de afweging tussen DGA-salaris en dividend ook buiten bedrijfsopvolging relevant.
Zes wijzigingen die vanaf 1 januari 2026 van belang zijn
De Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025, de Wafb 2025, bevat meerdere wijzigingen met verschillende ingangsdata. Een deel geldt vanaf 2025, een deel vanaf 1 januari 2026 en sommige onderdelen treden pas in werking op een later, afzonderlijk vast te stellen moment. Dat onderscheid is belangrijk. Een maatregel die in de wet staat, geldt niet noodzakelijk al voor een overdracht in 2026.
Hieronder staan de zes onderwerpen die een ondernemer in 2026 concreet moet controleren. De gevolgen verschillen sterk per structuur.
1. Preferente aandelen hebben een wettelijke definitie gekregen. Sinds 2026 zijn preferente aandelen voor de BOR en DSR ab wettelijk omschreven als aandelen met voorrang bij de winstverdeling of liquidatieopbrengst. Als slechts een deel van het aan een aandeel verbonden vermogen die voorrang heeft, wordt alleen dat deel als preferent aangemerkt.
Preferente aandelen kwalificeerden ook vóór deze definitie niet onbeperkt. Ze kunnen onder voorwaarden wel binnen de faciliteiten vallen wanneer ze zijn ontstaan bij een reële, gefaseerde bedrijfsopvolging. Daarbij spelen onder meer de eerdere omzetting van gewone aandelen, het drijven van een onderneming en de positie van de opvolger een rol. Letteraandelen, A- en B-aandelen en hybride aandelen moeten daarom op hun economische rechten worden beoordeeld. Alleen de naam van de aandelenklasse geeft geen uitsluitsel.
2. De bezitseis kan langer worden bij een late start na de AOW-leeftijd. De maatregel tegen zogenoemde rollatorinvesteringen kijkt niet simpelweg naar de leeftijd van de ondernemer. Bij overlijden wordt de gebruikelijke bezitstermijn van één jaar verlengd met zes maanden voor ieder jaar dat de erflater meer dan twee jaar ouder is dan de AOW-leeftijd. Bij schenking wordt de gebruikelijke periode van vijf jaar verlengd met zes maanden voor ieder jaar dat de schenker meer dan zes jaar ouder is dan de AOW-leeftijd.
Daarbij wordt ook gekeken naar een toename van het belang in de onderneming tijdens de relevante periode. De regeling is bedoeld om te voorkomen dat beleggingsvermogen op hoge leeftijd kort voor een schenking of overlijden in een onderneming wordt ingebracht om snel toegang tot de BOR te krijgen.
Belangrijk: een DGA die al tientallen jaren dezelfde onderneming bezit, wordt niet enkel vanwege diens huidige leeftijd uitgesloten. De verlenging raakt vooral situaties waarin het ondernemingsbelang op hogere leeftijd is verkregen of uitgebreid. De exacte bezitstermijn moet per verkrijging en per uitbreiding worden vastgesteld.
3. Dubbel gebruik via een bedrijfsopvolgingscarrousel wordt tegengegaan. Denk aan een onderneming die met toepassing van de BOR wordt geschonken, vervolgens tegen een vergoeding wordt teruggekocht en daarna opnieuw met de BOR wordt overgedragen. Vanaf 2026 kan vermogen dat voortkomt uit eerder door dezelfde verkrijger onder een last of tegen een tegenprestatie overgedragen ondernemingsvermogen, tot maximaal die last of tegenprestatie, buiten het kwalificerende ondernemingsvermogen blijven.
Voor een eenmalige overdracht van ouder naar kind verandert hierdoor meestal weinig. Bij terugkoop, heroverdracht of een constructie waarin dezelfde onderneming meerdere keren binnen de familie rondgaat, moet wel worden nagegaan welk deel al eerder fiscaal is gefaciliteerd.
4. Reële herstructureringen hoeven de termijnen niet altijd te doorbreken. Een juridische fusie, splitsing, aandelenfusie, omzetting van de rechtsvorm of interne reorganisatie kan nodig zijn om een bedrijf verkoop- of opvolgingsklaar te maken. De regels bieden meer ruimte om bij aangewezen herstructureringen de bezits- en voortzettingsperiode te respecteren, mits de economische gerechtigdheid in wezen behouden blijft en aan de voorwaarden wordt voldaan.
Dat betekent niet dat iedere interne transactie automatisch veilig is. Een verschuiving van economische rechten, een uitgifte aan een nieuwe aandeelhouder of het afzonderen van vermogensbestanddelen kan nog steeds gevolgen hebben. Leg daarom vóór uitvoering vast wat er juridisch en economisch verandert en hoe de bezitshistorie wordt voortgezet.
5. De bezitseis en voortzettingseis zijn gerichter gemaakt. De voortzettingseis is voor verkrijgingen vanaf 1 januari 2025 al verkort van vijf naar drie jaar. De opvolger moet de onderneming gedurende die periode voortzetten en mag niet zonder meer handelingen verrichten die wettelijk als staking of vervreemding gelden.
Vanaf 2026 kwamen aanvullende mogelijkheden voor aangewezen situaties die passen binnen doel en strekking van de bezits- en voortzettingseis, waaronder bepaalde gevallen van overheidsingrijpen. Tegelijk is de bezitstoets bij oudere ondernemers aangescherpt. De combinatie is dus soepeler voor reële wijzigingen en strenger waar een kortstondig ondernemerschap wordt vermoed.
6. Gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen van € 100.000 of meer kwalificeren slechts naar rato. Deze wijziging geldt al sinds 1 januari 2025 en blijft in 2026 relevant. Een bedrijfsmiddel dat zowel zakelijk als privé wordt gebruikt en een waarde in het economische verkeer heeft van minimaal € 100.000, telt alleen voor het zakelijke gebruik mee als ondernemingsvermogen voor de BOR en DSR ab.
Stel dat een vliegtuig van € 400.000 voor 70% zakelijk en voor 30% privé wordt gebruikt. Dan kan, los van de overige voorwaarden, maximaal € 280.000 als ondernemingsvermogen worden behandeld. Een regulier bedrijfsmiddel dat volledig voor de onderneming wordt gebruikt, wordt door deze evenredigheidsregel niet geraakt. Voor de bredere fiscale context rond cijfers en aangiften helpt het om te weten wat de Belastingdienst bij een eerste VPB-aangifte verwacht.
De 5%-beperking: wel aangenomen, maar niet automatisch ingegaan
Over dit onderdeel ontstaat gemakkelijk verwarring. Het oorspronkelijke pakket beperkte de toegang tot de BOR en de DSR ab in beginsel tot gewone aandelen waarmee een belang van ten minste 5% van het geplaatste kapitaal wordt gehouden. Daardoor zouden onder meer winstbewijzen, opties en bepaalde kleine belangen buiten de faciliteiten vallen.
Het is niet juist om te zeggen dat deze beperking nooit is aangenomen. Delen ervan staan in de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025. De wet koppelt de inwerkingtreding echter aan andere onderdelen, waaronder de verruiming voor verwaterde belangen en kleine familiebelangen, en laat het moment daarvan afzonderlijk vaststellen. Daardoor moet voor een concrete overdrachtsdatum worden gecontroleerd welke onderdelen daadwerkelijk in werking zijn getreden.
De wettelijke definitie van preferente aandelen is wél per 1 januari 2026 gaan gelden. Dat is een ander onderwerp dan de algemene beperking tot gewone aandelen en een minimumbelang van 5%. Wie beide maatregelen samenvoegt, kan tot een verkeerde conclusie komen over een klein aandelenbelang, winstbewijzen, opties of een gefaseerde opvolgingsstructuur.
Waarom dit verschil in de praktijk geld kost
Een DGA kan op basis van verouderde berichtgeving denken dat een belang van minder dan 5% per definitie niet kwalificeert en vervolgens onnodig een herstructurering uitvoeren. Het omgekeerde risico bestaat ook: ervan uitgaan dat de beperking definitief van tafel is, terwijl een wettelijk onderdeel later alsnog in werking treedt.
De juiste vraag luidt daarom niet alleen: wat staat er in de aangenomen wet? Controleer ook:
welke bepaling op de geplande schenkings- of overlijdensdatum in werking is;
welk type aandelen of rechten wordt overgedragen;
of sprake is van een direct of indirect aanmerkelijk belang;
of een uitzondering voor een verwaterd belang, familiebelang of gefaseerde bedrijfsopvolging van toepassing is;
welk deel van de waarde op ondernemingsvermogen ziet.
Let op: de BOR-regels zijn de afgelopen jaren meerdere keren gewijzigd. Baseer een overdracht niet alleen op een artikel of advies uit een eerder kalenderjaar. Laat vlak vóór ondertekening nogmaals controleren welke wetgeving en uitvoeringsregels op dat moment gelden.
Een BOR-claim staat of valt vervolgens met betrouwbare waarderingen en een verdedigbare vermogensetikettering. Goede jaarrekeningen maken zichtbaar hoe de bedrijfswaarde, activa, schulden en resultaten zijn opgebouwd.
Holdingstructuren en welk vermogen werkelijk kwalificeert
Veel Nederlandse DGA's houden de aandelen in hun werkmaatschappij niet rechtstreeks. Zij bezitten een holding bv, die op haar beurt de werkmaatschappij bezit. De BOR kan ook binnen zo'n structuur worden toegepast, maar niet automatisch over de volledige waarde op de balans van de holding.
Via de wettelijke toerekeningsregels kan het ondernemingsvermogen van een onderliggende werkmaatschappij aan het belang in de holding worden toegerekend. Daarvoor moet de aandelenstructuur aan de voorwaarden voldoen. Vervolgens wordt bepaald welk deel van de totale waarde ondernemingsvermogen vormt. Alleen dat deel kan in aanmerking komen voor de BOR.
Ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen binnen dezelfde holding
Een holding kan in de loop van jaren veel meer bevatten dan de aandelen in de werkmaatschappij. Denk aan overtollige liquide middelen, beursgenoteerde aandelen, een effectenportefeuille, verstrekte leningen of verhuurde panden. De fiscale behandeling hangt niet alleen af van waar het vermogen staat, maar vooral van de functie die het voor de onderneming vervult.
Geld dat aantoonbaar nodig is voor werkkapitaal, geplande investeringen of bedrijfsrisico's kan ondernemingsvermogen zijn. Cash die structureel boven de bedrijfsbehoefte uitkomt, kan als beleggingsvermogen worden gezien. Een prognose, investeringsplan en onderbouwing van liquiditeitsrisico's zijn daarom belangrijker dan een algemene mededeling dat het geld “voor later” wordt aangehouden.
Neem een holding met een totale waarde van € 6 miljoen. Daarvan is € 4,5 miljoen toe te rekenen aan de actieve werkmaatschappij, € 500.000 is onderbouwd werkkapitaal en € 1 miljoen bestaat uit een effectenportefeuille zonder functie in de onderneming. Dan ligt het voor de hand dat die laatste € 1 miljoen niet onder de BOR valt. De precieze uitkomst vergt een fiscale analyse, maar de balanspost “liquide middelen” of “effecten” is op zichzelf niet beslissend.
Verhuurd vastgoed valt sinds 2024 in beginsel buiten de BOR
Sinds 1 januari 2024 worden onroerende zaken die feitelijk aan derden ter beschikking zijn gesteld, of daarvoor bestemd zijn, voor de BOR en DSR ab in beginsel als beleggingsvermogen aangemerkt. Dat geldt ook wanneer het beheer van de vastgoedportefeuille veel tijd kost. Vastgoed dat binnen de eigen onderneming wordt gebruikt, kan onder andere regels vallen.
Een holding met een actieve werkmaatschappij en drie aan derden verhuurde panden heeft dus een gemengde vermogenspositie. De ondernemingswaarde van de werkmaatschappij kan kwalificeren, maar de verhuurde panden en de daarmee rechtstreeks samenhangende schulden moeten afzonderlijk worden beoordeeld. Het actieve karakter van de werkmaatschappij trekt de verhuurportefeuille niet mee in de BOR.
Afzonderen van beleggingen vraagt tijd en maatwerk
Het kan zinvol zijn om ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen vóór een opvolging duidelijker te scheiden. Mogelijke handelingen zijn een dividenduitkering, verkoop van niet-kernactiviteiten, een juridische splitsing of het onderbrengen van vermogen in een andere vennootschap. Maar zo'n stap vergroot de BOR-vrijstelling niet vanzelf. Beleggingsvermogen kwalificeerde vóór de scheiding immers ook al niet, en een herstructurering kan zelf inkomstenbelasting, dividendbelasting, overdrachtsbelasting of gevolgen voor de bezitstermijn oproepen.
Het doel is vooral om de kwalificerende onderneming helder overdraagbaar te maken, waarderingsdiscussies te beperken en te voorkomen dat passieve activa onbedoeld meegaan naar de opvolger. Bij een holdingstructuur moeten de fiscale gevolgen, de financiering en de zeggenschap als één geheel worden beoordeeld. Lees daarom ook de belangrijkste verschillen tussen een holding bv en een werkmaatschappij en hoe je een bv en holding samen opricht.
Wanneer moet je met de bedrijfsopvolging beginnen?
Een BOR-traject begint idealiter jaren vóór de geplande overdracht. De schenker moet in de hoofdregel ten minste vijf jaar aan de bezitseis voldoen. Bij overlijden geldt in de hoofdregel een periode van één jaar. Voor oudere ondernemers kan de termijn sinds 2026 worden verlengd. Na de verkrijging moet de opvolger de onderneming in beginsel drie jaar voortzetten.
Die termijnen kun je niet oplossen door de documenten sneller te laten opstellen. Daarnaast kosten een waardering, reorganisatie, financiering en overdracht van leiding en zeggenschap tijd. Een voorbereiding van drie tot vijf jaar is daarom vaak verstandig, maar het is geen wettelijke standaardtermijn. Bij een eenvoudige structuur kan het sneller. Bij een complexe holding of een gefaseerde opvolging kan meer tijd nodig zijn.
Stap 1: stel vast of de huidige structuur kwalificeert
Begin met een feitenonderzoek. Breng de aandelenklassen, stemrechten, winstrechten en liquidatierechten in kaart. Controleer vervolgens hoeveel ondernemings- en beleggingsvermogen in iedere vennootschap zit en welke schulden daarmee samenhangen.
Leg ook de bezitshistorie vast. Wanneer zijn de aandelen verkregen? Is het belang later uitgebreid? Wanneer is de onderneming gestart en hoe oud was de ondernemer toen? Zijn eerder aandelen geschonken of teruggekocht? Zonder die tijdlijn is niet betrouwbaar vast te stellen of de bezitstermijn is gehaald en of de anti-misbruikregels een rol spelen.
Stap 2: verbeter alleen wat aantoonbaar nodig is
Na de diagnose volgt eventuele optimalisatie. Bij gemengd vermogen kan een scheiding nuttig zijn. Bij preferente of hybride aandelen is mogelijk een beoordeling door een fiscalist en notaris nodig. Verhuurd vastgoed vraagt een afzonderlijke beslissing: behouden buiten de overdracht, verkopen, herstructureren of bewust accepteren dat dit deel niet is vrijgesteld.
Voer geen herstructurering uit alleen omdat een algemene checklist dat adviseert. Bereken eerst het verschil tussen de huidige belastingpositie en de positie na de wijziging. Neem daarbij ook transactiekosten, overige belastingen, financiering en de gewenste zeggenschap mee. Een besparing op schenkbelasting kan onaantrekkelijk worden als daar een hoge box 2-heffing of overdrachtsbelasting tegenover staat.
Stap 3: kies de overdrachtsvorm en leg de opvolging vast
Een schenking tijdens leven biedt ruimte om de opvolger geleidelijk verantwoordelijkheid te geven. Een overgang bij overlijden vraagt juist om een goed testament, aandeelhoudersafspraken en voldoende liquiditeit voor belasting die niet onder de BOR valt. Een verkoop tegen een zakelijke prijs heeft weer andere gevolgen dan een schenking of een combinatie van beide.
Bij een gefaseerde bedrijfsopvolging kunnen preferente aandelen worden gebruikt om de toekomstige waardegroei bij de opvolger te laten ontstaan terwijl de overdrager bepaalde financiële rechten behoudt. Sinds de wettelijke definitie in 2026 moet zo'n structuur nog preciezer worden ontworpen. De juridische vorm moet aansluiten op de economische werkelijkheid en op de voorwaarden van zowel de BOR als de DSR ab.
De kernvrijstelling van de BOR bestaat nog steeds. Voor een kwalificerende onderneming kan het verschil in belasting honderdduizenden euro's bedragen. Een fiscalist, notaris, waarderingsdeskundige en accountant hebben ieder een eigen rol. In het verschil tussen een accountant en boekhouder lees je wanneer die expertise haar kosten waard is.
Laat je opvolgingsstructuur beoordelen voordat er tijdsdruk ontstaat
De BOR is ruim, maar niet eenvoudig. Vanaf 2026 zijn vooral de definitie van preferente aandelen, de verlengde bezitstermijn voor bepaalde oudere ondernemers en de regels tegen herhaald gebruik scherper geworden. Bij holdings blijft het onderscheid tussen ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen doorslaggevend.
De geruststellende conclusie dat iedere familieonderneming vrijwel volledig is vrijgesteld, klopt dus niet. De tegenovergestelde conclusie dat de BOR nauwelijks meer bruikbaar is, evenmin. Het antwoord zit in de aandelenrechten, de bezitshistorie, de samenstelling van het vermogen en de manier waarop de opvolger de onderneming voortzet.
Wil je vóór de geplande overdracht weten welk deel van je structuur onder de huidige BOR-voorwaarden kan vallen? Plan een demo, dan brengen we je situatie samen in kaart. Neno kan je ook helpen bij het oprichten van een bv en met boekhouding en loonadministratie die ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen inzichtelijk houden.
Veelgestelde vragen
Wat is de BOR?
De bedrijfsopvolgingsregeling is een voorwaardelijke vrijstelling van schenk- en erfbelasting voor kwalificerend ondernemingsvermogen. De regeling moet voorkomen dat een reële bedrijfsopvolging vastloopt omdat de opvolger belasting moet financieren met geld uit de onderneming.
Hoe hoog is de BOR-vrijstelling in 2026?
In 2026 is de eerste € 1.543.500 aan kwalificerend ondernemingsvermogen volledig vrijgesteld. Boven die grens bedraagt de vrijstelling 75%. Beleggingsvermogen telt niet mee.
Wat veranderde er op 1 januari 2026?
Preferente aandelen kregen een wettelijke definitie. Daarnaast werden de bezitstermijnen voor bepaalde verkrijgingen op hogere leeftijd verlengd, werd herhaald gebruik via een bedrijfsopvolgingscarrousel aangepakt en kwam er meer ruimte voor aangewezen reële herstructureringen. Sommige veelgenoemde wijzigingen, zoals de evenredige behandeling van gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen, gelden al sinds 2025.
Wat zijn preferente aandelen voor de BOR?
Dat zijn vanaf 2026 wettelijk aandelen met voorrang bij de winstverdeling of liquidatieopbrengst. Als slechts een deel van het aandeel zo'n voorrang heeft, wordt alleen dat deel als preferent behandeld. Preferente aandelen kunnen alleen in specifieke situaties binnen de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten vallen.
Geldt in 2026 altijd een minimumbelang van 5%?
Nee, zo algemeen kan dat niet worden gezegd. De beperking tot bepaalde gewone aandelen en een minimum van 5% is wettelijk geregeld met een afzonderlijk inwerkingtredingsmechanisme. Voor iedere overdrachtsdatum moet worden gecontroleerd welke onderdelen daadwerkelijk gelden en welke uitzonderingen van toepassing zijn.
Wat is de DSR ab en hoe werkt die samen met de BOR?
De DSR ab schuift onder voorwaarden de box 2-claim over de meerwaarde van aanmerkelijkbelangaandelen door naar de opvolger. De BOR ziet op schenk- en erfbelasting. Omdat de regelingen verschillende belastingen behandelen, worden ze bij een aandelenoverdracht vaak allebei beoordeeld.
Kan de BOR worden toegepast bij een holdingstructuur?
Ja. Via de toerekeningsregels kan ondernemingsvermogen van een onderliggende werkmaatschappij meetellen. De BOR geldt niet automatisch voor de totale waarde van de holding. Passieve beleggingen en in beginsel aan derden verhuurd vastgoed kwalificeren niet.
Wat is het verschil tussen ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen?
Ondernemingsvermogen heeft een functie binnen de actieve onderneming, zoals operationele activa en noodzakelijk werkkapitaal. Beleggingsvermogen wordt vooral aangehouden voor rendement of waardegroei, zoals een effectenportefeuille of overtollige cash. Alleen het kwalificerende ondernemingsvermogen valt onder de BOR.
Hoe lang geldt de voortzettingseis?
Voor verkrijgingen vanaf 1 januari 2025 geldt in beginsel een voortzettingstermijn van drie jaar. Binnen die periode mag de opvolger niet zonder meer stoppen, verkopen of de economische aanspraken zodanig wijzigen dat niet meer aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
Wat zijn rollatorinvesteringen en wat veranderde in 2026?
De term wordt gebruikt voor het op hogere leeftijd omzetten of inbrengen van vermogen om kort daarna de BOR te benutten. Sinds 2026 kan de bezitstermijn worden verlengd bij verkrijging of uitbreiding van een ondernemingsbelang ruim na de AOW-leeftijd. Een langdurig bestaande onderneming wordt niet alleen vanwege de hoge leeftijd van de eigenaar uitgesloten.

Written by
Nick Knuppe
CEO en oprichter
