Boekhouding

Boekhouding

Box 3 in 2028: wat Nederlandse ondernemers nu al moeten regelen

Box 3 verandert in 2028, maar nog niet definitief. Bekijk hoe het zit met sparen, beleggen, vastgoed en start-up aandelen, en wat je nu kunt doen.

•

15 min.

Box 3-wijzigingen in 2028 voor Nederlandse ondernemers

Intro

Het kabinet wil het forfaitaire box 3-stelsel per 1 januari 2028 vervangen door een heffing over het werkelijke rendement. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 op 12 februari 2026 aan. De Eerste Kamer heeft er nog niet over gestemd. Het kabinet onderzoekt aanpassingen en heeft aangekondigd dat mogelijke wijzigingen in het Belastingplan 2027 kunnen worden opgenomen. Op 9 september 2026 blijft 1 januari 2028 daarom het officiële streefdoel, maar nog geen gegarandeerde ingangsdatum. Als de parlementaire behandeling of uitvoering vertraging oploopt, kan invoering later plaatsvinden.

Praktisch betekent die onzekerheid iets eenvoudigs: 2027 blijft in ieder geval onder het huidige overbruggingsstelsel vallen. Er is geen aangekondigd scenario waarin het nieuwe stelsel al in 2027 begint. De relevante planningshorizon loopt dus van nu tot eind 2027. De nuttige vraag is niet alleen wat er abstract verandert, maar vooral wat het nieuwe systeem betekent voor de bezittingen die u werkelijk heeft: spaargeld, beursbeleggingen, vastgoed of aandelen in een startup. Wordt uw positie gunstiger of ongunstiger, en is er vóór de overgang iets zinvols te regelen?

Die beoordeling moet per vermogensbestanddeel gebeuren. Hetzelfde huishouden kan onder de nieuwe regels meer belasting betalen over spaarrente en sterke beurswinsten, maar juist profiteren van een latere heffing over vastgoedwinst. Ook schulden, kosten, fiscale partners en vrijstellingen beïnvloeden de uitkomst. Een totaalberekening is daarom betrouwbaarder dan één los percentage of een algemene conclusie over box 3.

In één zin verschuift box 3 van een heffing op basis van forfaitaire rendementspercentages naar belasting over het werkelijke rendement. Daarbij geldt een belangrijk onderscheid. Voor de meeste financiële bezittingen omvat het voorgestelde rendement ook niet-gerealiseerde waardeveranderingen gedurende het jaar. Voor onroerende zaken en kwalificerende aandelen in startups en scale-ups is juist een vermogenswinstbenadering voorzien, waarbij de waardestijging in beginsel pas bij realisatie wordt belast.

Vermogenscategorie

Huidige heffing (2026–2027)

Voorgesteld vanaf 2028

Mogelijk gunstiger voor

Mogelijk ongunstiger voor

Aandachtspunt vóór 2028

Banktegoeden

Voorlopig 1,28% forfaitair rendement in 2026, belast tegen 36%, na toepassing van het heffingsvrije vermogen

Werkelijk ontvangen rente, na aftrek van toegestane kosten en met toepassing van het toekomstige heffingsvrije resultaat

Spaarders met een werkelijk rendement onder het forfait

Spaarders met rente boven het forfait

Vergelijk het werkelijke rendement met het forfait en controleer recht op aanvullend rechtsherstel

Beursbeleggingen

6,00% forfaitair rendement in 2026, belast tegen 36%, na vrijstelling

Werkelijk direct rendement plus jaarlijkse waardeverandering; verliezen zijn onder voorwaarden verrekenbaar

Beleggers met structureel laag rendement of verlies

Beleggers met sterke waardestijgingen en weinig liquide middelen

Bewaar transactie-, dividend- en waarderingsgegevens en controleer eerdere OWR-jaren

Vastgoed in box 3

6,00% forfaitair rendement in 2026 over de relevante waarde, met regels voor schulden en waardering

Inkomsten en kosten jaarlijks; waardeontwikkeling in beginsel bij verkoop of andere realisatie

Eigenaren bij wie het werkelijke nettoresultaat lager is dan het forfait

Eigenaren met hoge nettohuur en sterke toekomstige waardestijging

Controleer dossiers, kosten en de waardering die als beginwaarde gaat gelden

Niet-beursgenoteerde startupaandelen in box 3

In beginsel 6,00% forfaitair rendement in 2026

Voorgesteld vermogenswinstregime als de onderneming kwalificeert en over de vereiste RVO-beschikking beschikt

Angel investors met een box 3-belang in een kwalificerende onderneming

Beleggers die niet aan de voorwaarden voldoen

Controleer of het belang echt in box 3 valt en of de onderneming naar verwachting kwalificeert

Belangrijkste punt: 2027 blijft onder het huidige stelsel vallen. Er hoeft niets structureels vóór 1 januari 2027 te worden omgezet uitsluitend vanwege het nieuwe box 3-voorstel. De nuttige voorbereidingsperiode loopt tot eind 2027. Controleer vooral of u voor eerdere jaren recht heeft op aanvullend rechtsherstel, breng de liquiditeitsbehoefte bij volatiele beleggingen in kaart en zorg bij vastgoed en niet-beursgenoteerde aandelen voor goede waarderings- en kostendossiers. Neem geen onomkeerbare beslissing op basis van regels die parlementair nog kunnen wijzigen.

Omdat box 3 slechts één onderdeel van de totale fiscale positie van een Nederlandse ondernemer is, geeft hoeveel belasting u betaalt een breder overzicht.

Spaargeld: wanneer het nieuwe stelsel juist duurder kan zijn

De intuïtieve gedachte is dat belasting over werkelijk rendement altijd gunstiger is wanneer iemand minder verdient dan het forfait veronderstelt. Voor beleggingen kan dat kloppen, maar voor spaargeld hangt het volledig af van de werkelijke rente en het toekomstige heffingsvrije resultaat. Dat verschil is belangrijk zolang het huidige stelsel nog geldt.

Voor de voorlopige aanslag 2026 gebruikt de Belastingdienst voor banktegoeden een forfait van 1,28%. Dit percentage is voorlopig totdat het definitief wordt vastgesteld. Stel dat iemand € 200.000 spaargeld heeft en daarop 3% rente ontvangt, oftewel € 6.000. Zonder rekening te houden met de precieze werking van vrijstellingen zou het forfaitaire rendement € 2.560 bedragen en de belasting daarover bij 36% € 921,60. Bij een zuivere heffing over € 6.000 werkelijke rente zou dat € 2.160 zijn. In de echte aangifte moet echter ook rekening worden gehouden met het heffingsvrije vermogen, de verdeling met een fiscale partner en, onder het toekomstige stelsel, het heffingsvrije resultaat en aftrekbare kosten. Het voorbeeld toont dus het rendementsverschil, niet de definitieve aanslag.

Enkele jaren geleden lag de situatie anders. In jaren met zeer lage spaarrente kon het werkelijke rendement onder het forfait uitkomen. Naar aanleiding van arresten van de Hoge Raad biedt de Belastingdienst voor daarvoor aangewezen jaren de mogelijkheid het werkelijke rendement door te geven met het formulier Opgaaf werkelijk rendement, de OWR. Als het berekende werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, gebruikt de Belastingdienst het lagere bedrag. Dit is aanvullend rechtsherstel binnen het huidige stelsel, geen vrije keuze voor een willekeurige alternatieve berekeningswijze.

Voor de komende periode is de richting afhankelijk van uw eigen rente. Ligt die duurzaam boven het geldende forfait, dan kan het huidige systeem relatief voordelig uitpakken. Ligt zij eronder, dan kan werkelijk rendement gunstiger zijn. Alleen om fiscale redenen geld van een goede spaarrekening halen is daarom geen vanzelfsprekende strategie. Wel is het verstandig te controleren voor welke jaren u een OWR-formulier ontvangt of kunt aanvragen en welke reactietermijn in uw persoonlijke brief staat. De regels en termijnen verschillen naar gelang de aanslag en procedure; ga niet uit van één algemene bezwaartermijn voor alle jaren. De voorlopige aanslag in Nederland legt uit hoe dit in de aangiftecyclus past.

Beleggingen: belasting over niet-gerealiseerde waardestijging

De hoofdregel van het voorgestelde stelsel is een vermogensaanwasbelasting. Daarbij telt de jaarlijkse waardeverandering van een effectenportefeuille mee, ook als niets is verkocht. Stijgt een portefeuille in één jaar met 15%, dan wordt die stijging samen met ontvangen dividend en na aftrek van toegestane kosten onderdeel van het werkelijke rendement. Bij een tarief van 36% correspondeert 15% waardestijging vóór vrijstellingen en kosten met 5,4% van de beginwaarde aan belasting. Dat is hoger dan de bruto 2,16% die volgt uit een forfait van 6% maal 36%, al wordt de uiteindelijke huidige aanslag nog verminderd door de werking van het heffingsvrije vermogen.

Bij een waardedaling ontstaat onder het wetsvoorstel een verlies dat met positieve box 3-resultaten in latere jaren kan worden verrekend, voor zover het boven de wettelijk vast te stellen drempel uitkomt. Het aangenomen voorstel kent geen algemene achterwaartse verliesverrekening. Het kabinet onderzoekt nog verbeteringen, zodat de definitieve verliesregels kunnen veranderen. Een slecht jaar na meerdere goede beursjaren leidt onder de huidige tekst dus niet automatisch tot teruggaaf van belasting die over eerdere waardestijgingen is betaald.

Neem een DGA die privé € 500.000 aan beursbeleggingen houdt. Een simpele brutoberekening onder het huidige forfait geeft € 10.800: 6% maal € 500.000 maal 36%. De werkelijke aanslag is lager als het heffingsvrije vermogen nog beschikbaar is en kan ook worden beïnvloed door andere bezittingen, schulden en een fiscale partner. Onder het voorgestelde stelsel levert een waardestijging van 20%, zonder dividend, kosten of vrijstelling, € 36.000 belasting op; bij een daling van 10% ontstaat geen positieve heffing over die waardedaling, maar mogelijk een verrekenbaar verlies. De exacte uitkomst hangt af van de definitieve wet. Wel staat vast dat de jaarlijkse belasting veel sterker met de markt gaat meebewegen.

Let op: bij een vermogensaanwasbelasting kan belasting verschuldigd zijn over winst die alleen op papier bestaat. Een effectenportefeuille van € 1 miljoen die in één jaar 20% stijgt, levert vóór toepassing van vrijstellingen, kosten en ander box 3-resultaat bij een tarief van 36% een rekenkundige heffing van € 72.000 op. De belegger heeft daarvoor geen aandeel verkocht. Een liquiditeitsbuffer of vooraf bepaalde verkoopstrategie kan daarom nodig worden.

Wie in 2023, 2024 of 2025 een lager werkelijk rendement behaalde dan het toepasselijke forfait, kan mogelijk via de OWR recht hebben op een lagere box 3-grondslag. Daarvoor zijn bankgegevens, dividendoverzichten, transacties en waarderingen nodig. De Belastingdienst bepaalt per jaar of het werkelijke rendement werkelijk lager is. Een goede administratie is dus essentieel. Een balans voorbereiden plaatst die waarderings- en bewaarplicht in een breder financieel kader.

Vastgoed: van jaarlijks forfait naar inkomsten en gerealiseerde winst

Eigenaren van vastgoed in box 3 kunnen onder het huidige systeem relatief zwaar worden belast als het werkelijke nettoresultaat laag is. Een verhuurd appartement met een relevante box 3-waarde van € 520.000 valt in 2026 in beginsel onder het forfait van 6% voor overige bezittingen. De bruto forfaitaire rendementsberekening bedraagt dan € 31.200 en daarover 36% is € 11.232. De uiteindelijke aanslag hangt ook af van schulden, het heffingsvrije vermogen, de leegwaarderatio waar die van toepassing is, overige bezittingen en de fiscale partner. Het bedrag van € 11.232 is dus geen universele eindheffing.

In het voorgestelde stelsel worden reguliere voordelen uit vastgoed, zoals huur en pacht, jaarlijks belast en zijn bepaalde kosten aftrekbaar. Onderhoudskosten van een tweede of verhuurde woning worden in de overheidsuitleg als voorbeeld genoemd. Financieringsrente wordt via de regels voor schulden in de rendementsberekening betrokken. Voor niet-verhuurd of beperkt gebruikt vastgoed kan een vastgoedbijtelling gelden in plaats van werkelijke huur. De precieze uitwerking verschilt daardoor per soort gebruik en is genuanceerder dan alleen ‘brutohuur minus alle kosten’.

Voor de waardeontwikkeling van onroerende zaken is een vermogenswinstbelasting voorzien. De beginwaarde bij de overgang is essentieel, omdat alleen de waardeontwikkeling vanaf het nieuwe stelsel moet worden gemeten. Het aangenomen wetsvoorstel bevat daarvoor specifieke waarderingsregels, waarbij voor woningen de relevante WOZ-waarde een belangrijke rol speelt. Noem waardestijging vóór de overgang daarom niet zonder voorbehoud ‘belastingvrij’: de uiteindelijke beginwaarde, overgangsbepalingen en latere correcties volgen uit de definitieve wet en de concrete waarderingscategorie.

De praktische voorbereiding bestaat vooral uit een volledig dossier: aanschafgegevens, WOZ-beschikkingen, taxaties, huurcontracten, financiering, onderhoud en andere kosten. Als een WOZ-beschikking die voor de fiscale beginwaarde relevant is duidelijk niet aansluit op de waardepeildatum, kan tijdig bezwaar belangrijk zijn. Een hogere beginwaarde kan een latere vermogenswinst verkleinen, maar een kunstmatig hoge waardering is niet verdedigbaar en kan elders fiscale gevolgen hebben. Overdrachtsbelasting in Nederland behandelt de afzonderlijke belasting bij verkrijging van vastgoed.

Binnen of buiten de bv: een vergelijking die nu aandacht verdient

DGA’s met substantieel privévermogen vragen steeds vaker of beleggingen beter in een bv kunnen worden gehouden dan privé in box 3. De voorgestelde jaarlijkse heffing over niet-gerealiseerde waardestijging maakt een individuele vergelijking nuttig. Een algemene conclusie dat de bv altijd gunstiger of ongunstiger is, klopt niet.

In een bv wordt het beleggingsresultaat belast met vennootschapsbelasting: in 2026 19% over de eerste € 200.000 belastbare winst en 25,8% over het meerdere. Bij een latere dividenduitkering volgt box 2: 24,5% tot de geldende schijfgrens en 31% daarboven. Bij 19% vennootschapsbelasting en vervolgens 31% box 2 over de netto-uitdeling bedraagt de gecombineerde nominale druk ongeveer 44,1%, niet 46% en niet 33% box 2. Dit is een vereenvoudigde berekening zonder kosten, verliesverrekening, heffingskortingen of timingseffecten.

Het mogelijke voordeel van de bv zit vooral in uitstel. Zolang winst in de bv blijft, is nog geen box 2-heffing over een dividend verschuldigd. Het na vennootschapsbelasting resterende bedrag kan worden herbelegd. In het voorgestelde box 3-stelsel wordt de jaarlijkse waardestijging van reguliere beursbeleggingen daarentegen in beginsel elk jaar belast. Over een lange horizon kan het uitstel van box 2 opwegen tegen een hogere gecombineerde uiteindelijke druk, maar dat hangt sterk af van rendement, kosten, uitkeringsmoment en persoonlijke omstandigheden.

Box 3 kan juist aantrekkelijker blijven bij een korte beleggingshorizon, regelmatige privéopnames of vermogen dat onder vrijstellingen en het heffingsvrije resultaat valt. Voor vastgoed of kwalificerende startupaandelen kent het voorstel bovendien een vermogenswinstbenadering, waardoor het timingverschil met de bv kleiner kan zijn. Let erop dat aandelen van een DGA met een aanmerkelijk belang van doorgaans 5% of meer al in box 2 vallen, niet in box 3. De startupuitzondering in box 3 is vooral relevant voor persoonlijke belangen die daadwerkelijk tot box 3 behoren, bijvoorbeeld een kleiner angelbelang dat aan alle voorwaarden voldoet.

Bestaande privébezittingen naar een bv overbrengen is niet kosteloos. Bij vastgoed kan overdrachtsbelasting spelen, terwijl een overdracht tegen een onzakelijke prijs andere fiscale correcties kan oproepen. Ook administratie, jaarrekening en vennootschapsbelasting brengen kosten mee. Laat daarom vóór een herstructurering meerdere scenario’s doorrekenen. DGA-salaris of dividend behandelt de uitkeringsstrategie; het verschil tussen een holding-bv en een werk-bv legt uit hoe een bv als investeringsvehikel kan functioneren.

Positioneer uw vermogen voor het stelsel dat uiteindelijk wordt ingevoerd

Voor 1 januari 2027 hoeft u geen overhaaste beslissing te nemen. De details kunnen nog wijzigen tijdens de parlementaire behandeling. Het kabinet onderzoekt aanpassingen binnen de vermogensaanwasbelasting en heeft onder meer varianten rond tarief, vrijstelling en verliesverrekening besproken. Zolang die wijzigingen niet zijn ingediend en aangenomen, zijn het scenario’s en geen geldend recht.

Wat ongeacht de definitieve uitkomst nuttig blijft, is een inventarisatie per vermogenscategorie. Leg vast welk rendement daadwerkelijk wordt behaald, welke kosten rechtstreeks samenhangen met inkomsten, welke waarderingen beschikbaar zijn en hoeveel liquiditeit nodig is bij een goed beursjaar. Controleer daarnaast of OWR-rechtsherstel voor eerdere jaren mogelijk is. Een herstructurering hoort pas te volgen nadat zowel de fiscale gevolgen als transactiekosten en juridische risico’s zijn doorgerekend.

Wilt u uw spaargeld, beleggingen, vastgoed en eventuele startupbelangen laten vergelijken met de waarschijnlijke nieuwe regels? Plan een demo, dan lopen we uw positie samen door. Ons team kan u ook helpen met het oprichten van uw bv of met boekhouding en payroll rond de structuur die na definitieve besluitvorming het beste past.

Veelgestelde vragen

Wanneer treedt het nieuwe box 3-stelsel daadwerkelijk in werking?

Het officiële streven is 1 januari 2028, maar dat is op 9 september 2026 nog niet gegarandeerd. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel aangenomen; de Eerste Kamer moet het nog behandelen en het kabinet werkt aan mogelijke aanpassingen. Bij vertraging kan invoering later plaatsvinden.

Wat is het verschil tussen vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting?

Een vermogensaanwasbelasting belast de jaarlijkse waardeverandering, ook als de winst niet is gerealiseerd. Een vermogenswinstbelasting belast de waardestijging pas bij realisatie, bijvoorbeeld verkoop. Het voorstel gebruikt de eerste methode als hoofdregel en de tweede onder meer voor onroerende zaken en kwalificerende startup- en scale-upaandelen.

Wordt vastgoed in box 3 gunstiger behandeld in het nieuwe stelsel?

Dat kan, maar niet altijd. Inkomsten uit vastgoed worden jaarlijks belast en bepaalde kosten zijn aftrekbaar; de waardeontwikkeling wordt in beginsel pas bij realisatie belast. De uitkomst hangt af van huur, gebruik, kosten, financiering, beginwaarde en toekomstige waardestijging.

Wat is de fiscale beginwaarde voor vastgoed en waarom is die belangrijk?

De beginwaarde vormt het uitgangspunt voor het meten van waardeverandering onder het nieuwe stelsel. Voor woningen speelt de volgens de definitieve overgangsregels relevante WOZ-waarde een belangrijke rol. Een correcte beschikking en volledig waarderingsdossier zijn daarom belangrijk.

Is spaargeld beter of slechter af onder het nieuwe box 3-stelsel?

Dat hangt af van de werkelijke rente, het forfait en de toekomstige vrijstelling. Wie meer rente ontvangt dan het geldende forfait kan bij werkelijk rendement meer belasting betalen; bij een lagere rente kan het omgekeerde gelden. Bereken dit na vrijstellingen en kosten, niet alleen met bruto percentages.

Wat is de Opgaaf werkelijk rendement en kan ik die voor eerdere jaren gebruiken?

De OWR is onderdeel van het aanvullende rechtsherstel voor box 3. Hiermee geeft u voor daarvoor aangewezen jaren uw werkelijke rendement door. Is dat volgens de wettelijke berekening lager dan het forfaitaire rendement, dan gebruikt de Belastingdienst het lagere bedrag. Beschikbaarheid en termijnen hangen af van uw aanslag en persoonlijke brief.

Wordt beleggen via mijn bv aantrekkelijker door het nieuwe box 3-stelsel?

Mogelijk, vooral bij een lange horizon en weinig dividenduitkeringen, omdat box 2 kan worden uitgesteld zolang winst in de bv blijft. Daar staan vennootschapsbelasting, latere box 2-heffing en extra kosten tegenover. Een individuele scenarioanalyse is noodzakelijk.

Wat gebeurt er met niet-gerealiseerde winst op mijn beleggingsportefeuille?

Onder de voorgestelde vermogensaanwasbelasting telt de jaarlijkse waardestijging mee, ook zonder verkoop. Daardoor kan belasting verschuldigd zijn zonder dat verkoopopbrengst beschikbaar is. Verliezen kunnen volgens het voorstel onder voorwaarden met latere positieve resultaten worden verrekend.

Wat is het heffingsvrije resultaat en hoe verschilt het van het heffingsvrije vermogen?

Het huidige heffingsvrije vermogen is een vrijstelling op de rendementsgrondslag: in 2026 € 59.357 per persoon. Het voorgestelde heffingsvrije resultaat is een vrijstelling van een bedrag aan jaarlijks werkelijk rendement. Het bedrag en de precieze werking kunnen tijdens de verdere behandeling nog veranderen.

Welke box 3-percentages en vrijstellingen gelden in 2026 en 2027?

Voor de voorlopige aanslag 2026 gebruikt de Belastingdienst 1,28% voor banktegoeden, 6,00% voor overige bezittingen en 2,70% voor schulden. Het tarief is 36% en het heffingsvrije vermogen € 59.357 per persoon. De percentages voor banktegoeden en schulden zijn voorlopig. De definitieve cijfers voor 2027 zijn op 9 september 2026 nog niet vastgesteld; neem 2026 dus niet automatisch over.

Portrait of Nick
Portrait of Nick

Written by

Nick Knuppe

CEO en oprichter

Wij regelen de administratie. Jij runt je bedrijf.

Wij regelen de administratie. Jij runt je bedrijf.

Wij regelen de administratie. Jij runt je bedrijf.